Via Aukje Passchier-Kooistra, dochter van Jan Kooistra de winkelier uit Makkinga,  kreeg ik dit verhaal over de kerstviering in de jaren "30  in het kerkje op Twijtel. Het is (in het engels) geschreven door een van haar twee broers. Te weten: de in Amerika  woonachtige Joop (John)  Kooistra in 1992. (vertaling RdV 2012)

KERSTFEEST IN HOLLAND

(60 jaar geleden)

 

 

 

Vele mensen  - maakt niet uit hoe oud ze zijn - zullen sommige zaken nog helder voor de geest kunnen krijgen, die in hun jeugdjaren  gebeurden. Ik heb nog herinneringen aan de jaren dat ik naar de Zondagsschool ging in mijn geboorteplaats Makkinga. In het noorden van Holland.

Mijn vader was de enige leraar en de bijeenkomsten werden gewoonlijk gehouden in ons huis. Naast mijzelf waren drie of vier zussen en mijn enige broer Jan enkele van ongeveer dertig kinderen die iedere zondag aanwezig waren.


De  mooiste tijd was hoe dan ook Kerstfeest, wanneer  we op Kerstavond  een groot veest hadden in een kerkgebouw, ongeveer een half uur gaans vanaf ons huis.  We al weken daarvoor de mooie liederen oefenen, die we hadden geleerd en verheugden ons zeer op de aankomende gebeurtenis.  We hadden niet een gedrukt programma maar ieder van ons wist vrijwel nauwkeurig wat er ging gebeuren, want de zaken veranderden niet veel door de jaren. Het begon om 19.00 uur en duurde op zijn minst drie uren, met hier en daar een paar pauzes.


Er was een grote kerstboom met veel kaarsjes en versieringen. We wisten niet wie de boom op zette en vele uren aan de versieringen ed. hadden besteed.  Een ander ding waar we op konden rekenen was de vertelling van het Kerstverhaal. Eerst het gebed en dan het lezen van Lucas 2:1-20  uit de Bijbel, en daarna het verhaal.


We werden verzocht te zingen en de ouders  en ander volwassenen kwamen er bij. Dan arriveerden even later de “goodies”. Sommige boeren kwamen met grote melkbussen, die gevuld waren met warme chocolademelk. Voor sommigen was dit de enige keer in het jaar dat ze dit proefden, en er was genoeg van. Ieder had zijn of haar eigen mok en die werd geregeld gevuld door uit de grote melkbussen te scheppen. Er werd veel gezongen.  De studenten voerden sketches op. Sommigen waren meesters in het vertellen van een verhaal. Soms grappige, soms serieus. Die hadden ze eerst geoefend om zeker te zijn als ze naar voren werden geroepen.


Een van de hoogtepunten was de voordracht van een plaatselijke verteller of dramatist , die gewoonlijk een verhaal op rijm  vertelde,  dat zo grappig was, dat we er weken later nog van in lachen uitbarstten. Alleen al door er aan te denken.  We kregen koekjes en snoepjes, maar het mooiste kado was wel het boek voor elk kind. Niet erg groot boek, maar met een harde kaft.  En dan direct na het  dankgebed kreeg elk kind een sinasappel, genaamd  ‘Valencia’, geïmporteerd uit Spanje. Er waren niet veel mensen, die het zich konden veroorloven om sinasappels te kopen, en dus was dit een grote gift.


Mijn moeder, die thuis bleef met mijn jongere zusters, verwachtte  van ons dat we de sinasappels mee naar huis namen, om met hen te delen. Dat deden we ook, maar als we in de groep naar huis liepen kan ik het niet laten om met mijn vinger een gaatje er in te drukken om het zoete sap te proeven. Mijn moeder heeft mij nooit en standje gegeven omdat ik met een sinaasappel thuis kwam waar al een geddelte va het binnenste uit mistte.


John  Kooistra
Kerst 1992
“Churchpaper St. Catharinus”

           De tjalk van Wiebren en Antje Pauw.

(Prikkedamweg 6)

In 1904 vindt er in Ijlst een doop plaats. Niet van een persoon, maar van een boot. De Ebenhaëzer, een tjalk van ca. 17 meter lang wordt bij de werf van Croles te water gelaten. De eerste eigenaar is ene A.B. Meijer uit Lutkewierum, die de boot na enige tijd  al weer van de hand doet aan Doen Fennema uit Scharnegoutum.

In 1918 heeft de tjalk al weer een nieuwe eigenaar, of eigenlijk nieuwe eigenaars. Wieberen en Antje Pauw. Broer en zus  - ze zijn dan al in de 40 - uit Hindeloopen, die zich al op Twijtel hebben gevestigd,  kopen haar en zullen er vervolgens jarenlang mee over de Friese kanalen, vaarten en meren varen. De 40 ton grote Tjalk is eigenlijk gebouwd voor het vervoer van – voor die tijd – grote hoeveelheden graan, brandstoffen, stro, hooi, enz. Mogelijk hebben ook de Pauw’s haar voor dat doel aangeschaft.

Desalniettemin  worden ze op Twijtel betiteld als ‘dwingelschippers’ , die de afval uit de steden naar het platteland vervoerden, alwaar het als bemesting voor het land werd gebruikt. Het lijkt mij dan niet voor de hand liggend dat men er later weer graan of ander voedsel in vervoerde. Tijdens de vele, vaak dagenlange tochten woonden de Pauw’s op het schip, en tussendoor in hun huis op Twijtel.

Ergens in  de jaren “30 (in ieder geval vóór 1938) laten ze op de werf van (waarschijnlijk) de gebroeders De Boer in Lemmer het schip 3 m verlengen tot 19,81 m. Het tonnage gaat daarmee omhoog van 40 naar 50 ton.  Wiebren en Antje kunnen vervolgens weer jaren vooruit.

Aan alle goede plannen komt in 1941 abrubt een einde, als Wiebren op 66? Jarige leeftijd sterft. Antje blijft nog  eigenaresse van het schip, dat vanaf dan niet meer staat geregistreerd als vrachtschip. Verblijft zij nu verder op het schip, of in het huis op Twijtel?

In 1950 wordt de Ebenhaëzer verkocht aan ene Pieter Zuidema  uit Leeuwarden.

De boot zal tot op heden, want zij vaart nog steeds, een aantal maal van eigenaar en ook van  naam verwisselen.

Ebenheazer, wat zoiets betekend als ‘tot hiertoe heeft de Here ons geholpen’ krijgt vervolgens de namen Butsekop, Vrouwe Harmke en Geertruida.

In 1993 gaat ze over in Engelse handen.

Haar laatst bekende thuishavens zijn Londen (Engeland)  en Athlone (Ierland)

De oude naam Ebenhaëzer wordt ook weer in ere hersteld.  Het registratienummer van het schip is  S 639 N. Inmiddels heeft ze ook een motor van het merk DAF.

Als in 1987 de Elfstedentocht wordt verreden heeft de boot een wel heel mooi plekje. Vlak bij de Dokkumer stempelpost, vlak voor de camera’s van zowat alle TV-zenders, ligt ze ingevroren in het ijs. Ook ik sta daar als toenmalig inwoner van Dokkum op en bij de boot  te filmen.    Niet wetende dat die zelfde tjalk een halve eeuw eerder, als de Ebenhaëzer van Wiebren en Antje  op Twijtel  bij de Prikkedambrug haar ‘thuishaven’ had.  

RdV

 Overigens kunt u de hele geschiedenis van de Ebenheazer (in het Engels) lezen op www.ebenhaezer.net

 



        Van Makkinga naar Moskou (1812)

 Sinds 1802 woont op Twijtel  het gezin van Reint Hendriks en Froukje Meines op zathe I. (die volgens mij ergens tussen Prikkedam 2 en 3 moet hebben gestaan)  In dat jaar   is de moeder van Froukje  , die weduwe is, verhuisd van zathe I naar zathe II. (nu Prikkedam 2), Daar is dan net een nieuw huis verrezen.  

Reint Hendriks neemt - omdat Napoleon het zo wil - als familienaam ‘De Boer’ naam aan. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij van beroep veehouder is.  Op stal staan een stuk 7  koeien. Ook houdt hij een paar schapen en wat jong vee. Ook is Reint in het bezit van 2 paarden.   Allemaal beschreven in de Speciecohieren, omdat Napoleon belastingcentjes nodig had voor het voeren van zijn geldverslindende oorlogen.

 

Reint Hendriks de Boer zal er grif wel eens over gemopperd hebben. Die bemoeizuchtige en hebzuchtige Fransen.  Zelfs een kampement van die indringers moet er zo’n beetje bij hem voor de deur (op de huidige crossbaan)  zijn opgeslagen. Er zouden  tot in de 20e eeuw nog loopgraven te vinden zijn geweest. Ergernis alom. En toch zullen al die zaken een paar jaar later voor Reint en Froukje bijzaak zijn, maar ook weer de oorzaak van een veel dramatischer feit.

 

Het paar is gezegend met een flink aantal kinderen. De op een na jongste is Meine Reints. Op 17 april 1790 kwam hij ter wereld op Twijtel. Het gezin woonde toen nog op zathe III . Vanaf 1811 droeg hij dus de volledige naam Meine Reints de Boer.  Hij speelt ongewild de hoofdrol in de rest van het verhaal.

 

Niet alleen belastinggeld maar ook manschappen eiste de Keizer op in de bezette gebieden. Loting wees uit wie wel en wie niet hoefde te dienen. Meine was een van de ongelukkigen, bij de loting van  1810.  Hij moest onder de wapenen. Net als alle andere Friese opgeroepenen  mest hij zich melden op het Tournooiveld   (niet ver van de huidige Prinsentuin). in Leeuwarden. Vanaf hier ging men in ongeveer 3 weken te voet naar een Noord-Franse garnizoensplaats. Doel was om hen in te zetten tegen de Engelsen,  maar omdat een invasie van dat land niet door ging werden zo’n 15.000 Nederlanders  ingedeeld bij legerkorpsen die Rusland zouden moeten binnen vallen. In 1812 zal ook  Meine zijn  ingekwartierd bij  het 33e Regiment  Lichte Infanterie (jagers).

 

Op zeker moment moet hij oostwaarts zijn gedirigeerd. In totaal waren in de zomer van 1812  rondom Warschau zo’n half miljoen soldaten gelegerd. Napoleon wenste namelijk de druk op het Rusland  van tsaar Alexander I op te voeren, om dit land binnen de Coalitie te houden.  Waarschijnlijk is ook Meine langs deze route gegaan.

 

De inval in Rusland

 

In de zomer van 1812 verplaatsen  zo’n 200.000 manschappen vanuit Warschau zich naar Koningsbergen, het huidige Kaliningrad.  Als men zich daar opmaakt voor de aanval  op Rusland is ook de jongeman van Twijtel daarbij. Het merendeel  van hen steekt onder aanvoering van Napoleon  op 24 juni 1812 de grens met Rusland over. Op naar Moskou! De oorlog is begonnen. Op 13 augustus trekt men de Dnepr over en 4 dagen later wordt Smolensk in brand geschoten. De bekende Slag bij Borodino  is op 7 september. De Russische Maarschalk Koetoezov  en zijn troepen trekken zich terug en Napoleon kan de 14e van die maand de door de Russen grotendeels platgebrandde hoofdstad  Moskou binnen trekken.

Honger en ijzige kou – de winter viel al op 19 oktober in – deden Napoleon besluiten terug te trekken. Toen eind november tijdens de terugtocht de restanten van het enorme leger de Berezina over probeerde over te steken, lieten ze ook nog eens duizenden gewonde soldaten achter. Op 19 december kon in Koningsbergen de balans worden opgemaakt. Slechts 20.000 man keerden terug.

 

Maar hoe verging het nou Meine?

 

Meine diende, zoals gezegd, bij het 33e regiment lichte infanterie (jagers).  Zeker is dat daarvan in ieder geval 252  Friezen  deel uit maakten. Op 15 november, tijdens de terugtocht, stuurde de Franse generaal Davout – hij had een hekel aan Nederlanders -  bij Krasnoi 300 man van dit Regiment de vrijwel wisse dood in.  In het  Russische artillerievuur sneuvelden zo’n 200 man van hen. 25 man bleven ongedeerd en 78 raakten gewond. Zij, die daarvan de Berezina nog hebben gehaald, zijn daar mogelijk achter gelaten, alsnog gesneuveld, of krijsgevangen genomen.

Het laatste bericht van Meine is gedateerd 9 september 1812 vanuit Koningsbergen. Verder is bekend dat hij niet teruggekeerd is uit krijgsgevangenschap.  In november 1813  en eind 1814 wordt hij als vermist  opgegeven.

 

Of  hij Moskou heeft gezien zal wel altijd een raadsel blijven, maar zeker is wel dat Meine   zijn familie en vrienden op het vertrouwde Twijtel dus nooit terug zag. Op 17 april 1812 was hij pas 22 jaar geworden.


 

 


Deze site is gratis gemaakt met Webklik.nl